Archive 2

Omaland (Grannyland) 2016 story + illustrations

Omaland (Grannyland) 2016 story + illustrations

Omaland (Grannyland) 2016 Dutch version:

Omaland

Er was eens, geen tijd, geen haast en geen doel.
Ik was nog een kind bij mijn oma op een zomerdag. Oma Rachel woonde in een klein appartement in de havenstad Haifa. Wij ontbeten samen op het balkon, ik was een jaar of acht. Na het ontbijt zocht mijn oma een leuke zomeractiviteit voor mij. In de volgepropte ladekast vond ze een ouderwetse wekker, die het niet meer deed. Ik mocht de wekker als ‘case study’ gebruiken om te leren hoe het ding werkt.
Ik begon met een beschaafde poging. Met een schroevendraaier draaide ik de eerste schroeven los. Dat ging met gemak. Maar toen ik op de harde kern stuitte, en de schroeven kleiner werden, raakte ik mijn geduld kwijt. Ik wilde het ding snel uit elkaar hebben. Als een kraai die een harde noot kraakt, smeet ik de wekker keihard op de betonnen vloer. Ik bleef er maar mee door gaan. Het geluid was zeker niet aangenaam, de vloer was in gevaar, toch hield oma mij niet tegen.

De wekker was nu echt kapot, maar de tijd tikte door.

Elke ochtend is een strijd; ik vind het moeilijk om wakker te worden. Soms laat ik de wekker nog een uur snoozen. Waarom is het zo moeilijk om uit bed te komen? Ben ik zo moe? Dat valt best mee. Als ik eerlijk ben denk ik dat ik het gewoon niet durf omdat ik bang ben. Bang? Waarvoor ben je bang? Kijk jezelf aan! Je leeft toch in vrede, zelfs de zon schijnt! Je bent een kunstenaar, je kan doen waar je zin in hebt. Je bent vrij!
Maar toch… Wat, als er niks uit mijn handen komt? Wat, als het papier wit blijft? Wat, als niemand het mooi vindt? En wat is de betekenis van wat ik maak? Heeft het allemaal zin?
Soms zou ik zo graag willen dat een kleine oma uit de tekendoos zou komen springen en met haar vinger zou wijzen en zeggen: “Vandaag alleen met rood potlood tekenen!” Of: “Vanmiddag alleen zitten nadenken!“
Maar oma is er niet meer. Niemand geeft mij orders of zegt tegen mij wat ik moet doen. Ook mijn man niet, hij gunt me alle vrijheid.
Sommige dagen heb ik geluk. Als in een droom, verschijnt een perfect beeld. Dan heb ik geen twijfels en kan direct aan de slag! Het gebeurde in de auto van mijn schoonmoeder op weg naar Stadskanaal. Ik zag een zwarte vogel, een merel, die pikte in het gras. Maar de vogel had een muilkorf om haar snavel. Het was een bijzondere muilkorf, speciaal ontworpen voor een vogel. Het leek een lange oranje kegel, zoals de puntmuts van een clown.
Wat een raar beeld, dacht ik; een vogel, symbool van vrijheid met een ‘slot’ op haar bek.
Wie is eigenlijk die vogel?

Oma Rachel werd in 1923 in Den Haag geboren. Ze had bruine, amandelvormige ogen, haar haar was zo zwart als de veren van een kraai. Rachel was een ondeugend meisje, onthullen de verhalen uit haar jeugd. Tegen de gewoontes van haar ouders in, die haar als ‘goed gelovige Jodin’ probeerden op te voeden, durfde zij het licht aan te doen op Sabbat dag. En ook op andere heilige dagen kende ze geen godsvrees en fietste stiekem door de Scheveningense duinen naar het strand. Dan nam ze daar een duik. Als ze uit de zee kwam, gekleed in haar witte badpak, keken alle jonge mannen met een bewonderende blik naar haar. Dit soort activiteiten waren natuurlijk strikt verboden. Maar voor Rachel waren religie en regels overbodig. Rachel was een rebel in haar hart.
Ik kende mijn oma niet anders dan met sneeuwwit haar. In mijn ogen was ze nog steeds een levendige, jonge ziel en een vrolijke huisvrouw. Ze had perzikachtige wangen, een mollige, zachte buik en een aanstekelijke schaterlach. Zelfs nog op haar zestigste kon ze touwtjespringen.
Ze kookte en bakte lekker voor haar man, kinderen en kleinkinderen en strooide echte Hollandse hagelslag op onze boterhammen. Ze sprak vijf talen vloeiend; Nederlands, Engels, Hebreeuws, Frans en zelfs Duits! En ze kon makkelijk tussen de talen schakelen zonder verwarring of accentproblemen, terwijl ze kletste met haar buurvrouwen of jeugdvrienden.
Ze noemde mij ‘vogeltje’. Samen dronken wij thee uit de pot die ze warm hield in een grappig gebloemd kussentje. “Dit heet Theemuts”, zei ze. Dan riep ze: “Het is zo gezellig!” en legde uit: “In geen enkele andere taal ter wereld bestaat dit woord, maar je kan het vergelijken met ‘cosy’ in het Engels.”

Ook als puber was ik dol op mijn oma en ging graag naar haar toe. “Je bent erg afgevallen” glimlachte ze “Waar leef je van? Van liefde en lucht?” Op een koude winterdag ging ik bij haar langs met een flinke blaasontsteking. “Nu is het tijd voor lekker, warm katoenen ondergoed, laat die sexy onderbroek nog maar eventjes in de la liggen!” zei ze lachend. Ik bloosde, maar voelde me ook een beetje trots. Ik was achttien en net seksueel actief geworden. Mijn oma begreep alles. Door haar werd ik geaccepteerd. Bovendien was ze een kunstliefhebber en een open-minded vrouw.
Oma Rachel was mijn lievelingsoma; symbool van liefde en vrijheid.
Vanochtend heb ik een geluidsopname van mijn oma beluisterd. Mijn moeder vroeg me het oude cassettebandje te digitaliseren, als herinnering voor later. In het begin praat mijn oma Hebreeuws, ze presenteert zichzelf: “Ik ben Rachel Mitrani, van het huis van Barsam. Ik ben moeder van drie kinderen: Lea, Nili en Isaac. En oma van 5 kleinkinderen: Na’ama, Nadav, Alon, Assaf en Efrat. Het liedje dat ik nu ga zingen heb ik bij mijn vader thuis in Holland, aan tafel bij de Pesach maaltijd gehoord.” Ze begint een oud Hebreeuws liedje of gebed te zingen, voor mij geheel onbekend.
Het gezang wordt verstoord door de telefoon. Aan de andere kant is Alfred, een jeugdvriend. Hij kent haar nog van Scheveningen. Alfred heeft haar altijd bewonderd. Oma schakelt onmiddellijk over van Hebreeuws naar bekakt Nederlands. Hier zijn haar woorden, zoals ze werden opgenomen:
maar dan heb ik het ook wel dagen dat ik niet ‘on duty ben’ …
moet je horen, ik zal je een ding zeggen, moet je horen,
ik kan je ook een cheque geven met een datum, zal ik maar zeggen – van 2 september, dan kan je het deponeren, of gaat het niet? (lachend)
Very conciderate, very conciderate, (lachend) Ok… ok Alfred, Dus…
Ok, Ok Alfred, dus eh… (lachend) Ha? Wat is WB? Wat dan?
(schaterlach)
Ah! WB – wit badpak, hoe zeg je het op z’n Latijns? Op z’n Latijns?
Alba? Ah, stola Alba Maris. Maris Alba Stola, ja
Een wit badpak van de zee, Maris, ja, ….
prachtig! Ja, Prachtig,
Nu moet je een of ander embleem registreren (lachend) en dan is het het achtste wereldwonder!
Ah? Ah? Ach ja, natuurlijk. Ok, Ok, Dag Alfred,
b-seder (Hebreeuws voor OK). Afgesproken. Dag. Tot ziens.
En dan weer in Hebreeuws tegen mijn oom:
Ag-shav ani holechet lig-mor et ha-ogel (nu ga ik het eten klaarmaken)
Ik krijg er kippenvel van. Niet alleen omdat ik voor het eerst na lange tijd mijn oma’s stem weer hoor.
Nee, ik ben verbaasd dat ik haar taal versta en schrik van haar zware accent en taalfouten als ze Hebreeuws spreekt. Als kind en als jonge vrouw heb ik haar vreemde accent nooit gehoord, haar fouten niet herkend.
Ik zei altijd: “Oma, jij spreekt perfect Hebreeuws.” Dat meende ik ook. Welnee! hoor ik nu. Zelfs de woordvolgorde klopt niet. Hoe komt het dat ik nooit eerder haar accent heb gehoord?
In 2004 werkte ik een jaar lang aan illustraties voor een boek van mijn moeder, dat over dromen en werkelijkheid gaat. Twintig jaar lang verzamelde zij dromen, jeugdherinneringen, familie-anekdotes en documenten. Veel van de verhalen in het boek gingen ook over mijn oma – haar moeder. Door de ogen van mijn moeder werd het verleden wakker; de doden, hun verhalen werden levendig en tastbaar.
Ik leerde nieuwe feiten kennen en ontdekte de donkere, kwetsbare kanten van mijn oma. Ik leerde haar angst kennen toen ze in 1942, haar huis in Scheveningen moest ontvluchtten. En haar onzekerheid, wanhoop en eenzaamheid, toen ze drie jaar lang alleen als vluchteling in Zwitserland woonde. Ik leerde haar verdriet om haar ouders kennen die langer thuis in Den Haag bleven, om ‘de zaken goed te regelen en af te ronden’ en die voor altijd in de oorlog ‘verdwenen’ via kamp Westerbork naar Auschwitz, en daar vergast werden.
Heeft mijn oma ooit om hun kunnen rouwen? Daar heb ik nooit iets van gemerkt. Ik dacht ook over het gemis van mijn moeder, dat zij nooit een lieve oma heeft gehad, zoals ik.
De conclusie van mijn oma was duidelijk. Mijn moeder noteerde haar woorden letterlijk in haar boek1:
“Toen de oorlog voorbij was wist ik dat ik naar Israël zou verhuizen. Ik wilde op geen enkele manier weer vogelvrij zijn.”

Elke zaterdagochtend ga ik naar de bakker en haal broodjes voor het Sabbat ontbijt. Het is nooit druk bij een van de laatste echte Hollandse bakkers in Rotterdam-West. Dus tijd voor een praatje. Het is een koude decemberdag.
Er komt nog een klant binnen. Een kleine vrouw, die er uit ziet als een gekleurde donut. Ze begint een vurig betoog en klaagt: “Die Marokkanen, waarom versieren ze hun huizen niet voor de Kerst? Wij vieren toch ook hun Suikerfeest mee, dat heet toch integreren, identificatie, of hoe noem je dat ook alweer? Ah! Solidariteit! Ja, solidariteit met ons, dat het hier een beetje gezellig in de buurt wordt! Een ster of twee in het raam, een beetje licht, dat is toch geen grote moeite! Ik zie nergens kerstverlichting op straat. Zo donker is het hier in de buurt, zo ongezellig!” en voegt ze eraan toe: “Heb je dat ook gezien? de Marokkanen hebben allemaal vernielzucht, ze maken alle sneeuwpoppen kapot!“
De ervarende verkoopster knikt beleefd. Maar waarom durf ik niks tegen haar te zegen? Ik luister stil naar haar zeurzuchten. En ben verbaasd dat ze tegen mij praat als een begrijpend stadsgenoot. Ik ben immers ook een allochtoon, hoort ze mijn accent niet? Misschien ben ik zelfs Marokkaans?
Opeens denk ik aan mijn oma. Heeft zij ook ooit stil bij een bakker gestaan toen iemand riep: Die Joden, die zijn allemaal hebzuchtig, ze zijn allemaal zo rijk!…?
Was ze toen bang?
Sinds ik in Rotterdam woon, stroomt mijn hart over van hoop. Ik werd verliefd op de stad die zich zo mooi herbouwde als een phoenix uit de as. Ik loop door haar muliticulti straten met 173 nationaliteiten en vergeet dat ik van elders kom. Nooit eerder heb ik me meer thuis gevoeld dan in Rotterdam: mijn paradijs, waar een wolf met een lammetje woont, waar ik als Israëlisch-Joodse vrouw zonder angst boodschappen doe bij de Marokkaanse slager (en hij geen mes in mijn rug steekt), en ik mijn kleding naar de Iranese kleermaker breng, (en hij naait mij niet).
Wat gebeurt er nu in mijn droomstad?
In de tijd dat mijn oma in Nederland woonde waren er weinig buitenlanders op straat “alleen maar een paar Chinezen,” vertelde ze. Van falafel, shish kebab of kapsalon had ze nooit gehoord. De smaak van olijven uit Israël vond ze vies en zonnebloemzaadjes op straat eten en de schilletjes op de grond gooien vond ze gewoon barbaars. Zonnebloemen kende ze alleen van de schilderijen van Vincent van Gogh.
Hoewel mijn oma er voor gekozen had om in Israël te blijven wonen, heeft ze haar Nederlanderse nationaliteit nooit opgegeven en de Israëlische nooit aangenomen. In Israël had ze alleen maar een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en daarom geen stemrecht. In de jaren 80, toen de wet in Nederland veranderde, kreeg ze zelfs de mogelijkheid van de Nederlandse overheid om haar Nederlandse nationaliteit aan haar kinderen door te geven. Zonder hun mening te vragen heeft ze het aanbod gewoon geweigerd. Als mijn oma anders had gekozen, had mijn moeder zonder omwegen het Nederlanderschap gekregen, net als ik.
Op een ochtend in februari 2012 sta ik in het stadhuis van Rotterdam. “Dat verklaar ik en beloof ik” roep ik, terwijl de ambtenaar een glanzend diploma in mijn hand steekt als bewijs van mijn Nederlandse nationaliteit. Mijn man is trots. Enthousiast geeft hij mij een grote bos oranje bloemen. Ik zwaai fier met het diploma naar het publiek in de zaal, iedereen klapt.Maar het gezicht van mijn oma, dat boven mijn hoofd vliegt en zoemt, raak ik niet kwijt.
Wat denk jij oma? Wat vind je ervan dat ik je taal nu spreek, dat ik nu in jouw land woon, dat ik net jouw nationaliteit heb aangenomen? Ben je blij voor mij? Teleurgesteld of boos?
Oma, ik kan me jouw gezicht niet boos voorstellen.
Waarom heb je altijd mooi weer gespeeld?
In jouw verhalen bestond geen kwaad, geen enkele zwarte wolk.
In jouw verhalen was alles “gezellig” en ”leuk”.
Jouw accent bleef voor mij onhoorbaar, net zoals jouw verleden, je rouw en je frustraties als huisvrouw.
“Waarom heb je gekozen om naar Nederland te komen?”
Zelfs na veertien jaar krijg ik nog vaak deze vraag.
“Gewoon toeval!” antwoord ik om problemen te vermijden.
“Ik kon hier in het Engels studeren voor een betaalbare prijs…”
Maar lopend langs de Maas, herhaal ik drie woorden als een toverspreuk: vogeltje, theemuts, gezellig! vogeltje, theemuts, gezellig! En nog steeds knaagt de vraag:
Ben ik een kind dat terug wil naar Omaland?

Reacties zijn gesloten.