Reviews

2009 Keramiek Magazine

2009 Keramiek Magazine

By Ineke Suidman

KERAMIEK
Geschreven door: Ieneke Suidman. Oktober 2009 in het vakblad Keramiek)

Hele families portretteren, dat is mijn droom.

Ze is klein, tenger en bewegelijk. Efrat Zehavi (Haifa, 1974), die naar het voltooien van de kunstacademie in Jeruzalem acht jaar geleden naar Rotterdam kwam om verder te studeren aan de Piet Zwartacademie en niet meer terug is gegaan. Vriendelijk, terughoudend, valt ze als het haar werk betreft met de deur in huis over kleine kleurige geboetseerde koppen die her en der in haar atelier liggen en staan.
Uit verhuisdozen steken armen en benen, van was, klei en papier maar dan levensgroot. En er zijn forse horizontale beelden van keramiek die uit delen van een menselijke tors of een dierenlijf zijn samengesteld.
Ze romantiseert of verfraait haar modellen niet. Door vergelijking aan de hand van enkele koppen van bekende Nederlanders, zijn deze verbeeld naar de dagelijkse werkelijkheid. Uit plasticine gevormd, soms in tere, maar ook in felle kleuren, hebben zij allen een persoonlijke blik. Peinzend, somber, stralend, alert, afwezig, ingekeerd of zowel levendig als bedachtzaam zoals de kunstenaar zelf.

‘Zo groot dat je ze in je hand kunt houden boetseer ik koppen naar het leven,’ vertelt zij lachend. ‘Dat is naast de kunst mijn hobby geworden.’
Met haar rolkoffertje vol materiaal, zoals plasticine, enkele puntige stokken, een digitale camera en een kleine printer trekt ze er op uit om op locatie portretten te boetseren. Ze wordt onder andere gevraagd bij openingen van tentoonstellingen, de Museumnacht in Eindhoven, de Kunstvlaai in Amsterdam en op een feestje dat in een sauna werd gegeven.
De idee achter haar performances is het verloop van de sessies en het verleggen van de betekenis van het eindproduct. Dat is niet de kop zelf, maar de pasfoto die ervan wordt gemaakt. Wat overblijft zijn reeksen van deze pasfoto’s op vellen papier ter grootte van affiches.
‘Onvoorbereid gaan mensen voor me zitten’, vertelt ze over het verloop. ‘Ik vraag of ze wat met me willen praten en daarvoor krijgen zij te zien hoe ze zich aan mij voordoen. Een visie die in een uur of twee al boetserend tot stand komt.’

Bij een performance geeft ze zo’n kop niet uit handen. Wat ze wel doet is ze de foto die ze ervan heeft gemaakt, in de vorm van een ansichtkaart naar het model mailen. Het totaalbeeld van de performance wordt gevormd door de samenvatting op groot formaat van alle pasfoto’s.
Ze noemt dit de meest spontane wijze van modellen typeren. En tegelijkertijd heeft zij op een luchtige manier Nederlands leren spreken.
Behalve in het kader van performances boetseert zij nu ook in opdracht van particulieren koppen in gekleurd materiaal waarbij zij dezelfde spontaniteit nastreeft. Het object staat centraal en het formaat is bespreekbaar.
‘Hele families portretteren, dat is mijn droom. Soms maak ik er kleding bij, van papier maché. Dat is vooral leuk bij kinderportretten.’

Zonder kunst kan zij zichzelf niet voorstellen: ‘Ik ben er afhankelijk van. Gips, was, metaal, fotografie, animatie met geluid, ik gebruik het bij mijn vrije werk allemaal en zo nodig nog meer. Maar boetseren blijft de meest directe manier om verhalen in mijn hoofd om te zetten. Gedachten vorm te geven, fysiek en primitief. Klei en ook animatieklei om de kleur. En zoals bij tweedimensioneel wel het geval is, hoef ik bij klei bijvoorbeeld niet na te denken over schaduw.
Ik meng van alles doorheen, sprookjes, Griekse mythologie, bijbelverhalen, dromen en gebeurtenissen uit mijn leven.’
Op de Art Amsterdam‘9 kwam zowel in onderwerp, voornamelijk autobiografisch, als technisch alles tezamen in haar theatrale installatie ‘Pleader’s Prayer’ in de stand van Galerie Onno van Toor.
Wat haar bezig houdt is ‘identiteit’, niet zozeer van haarzelf maar eerder hoe het er in de wereld mee voorstaat. Over ‘migratie’ heeft ze in Duitsland – aan de hand van portretkoppen – een performance gedaan: ‘Mijn partner is vreemdelingenadvocaat en ik kom uit Israël. Nee, niet als vluchteling. Ik wilde weg en een docent op de academie wist oud-leerlingen die naar Rotterdam waren gegaan. ‘Het is daar heel rustig’ vertelden die mij. Rust! Ik situeerde door die beschrijving de Piet Zwart Academie in een groene wei met koeien er omheen’, herinnert Efrat zich.
De realiteit van Rotterdam gaf haar bij aankomst een schok door de drukte in de straten: ‘Maar groen en koeien heb ik toch minder nodig dan de levendigheid van mensen.’
In Jeruzalem bevond zij zich in een begrensde samenleving waar voortdurend angst heerste. ‘Hier voel ik mij blij, al moet ik toegeven dat ik ook in Rotterdam nog vaak bang ben.’ Niet iedereen zal het echt leuk vinden dat zij uit Israël komt veronderstelt zij: ‘Maar omdat deze samenleving de grenzen die mij zo bevreesden niet kent, heb tenminste de mogelijkheid die angst te overwinnen.’
‘Als ik anders was opgegroeid zou ik waarschijnlijk andere kunst gemaakt hebben.’

In haar atelier zit een fijngebouwd bleke Jezusachtige figuur boven op een grillig geboetseerde berg: ‘Fragiel in een besmette omgeving’ licht Efrat toe. ‘Het gaat bij mij dikwijls om grenzen definiëren. Dat boetseer ik vaak door muren tussen objecten te plaatsen. Die staan bij mij voor angst. En zo worden handen ook wel eens pistolen.’
Met materie vervangt Efrat op die manier woorden.
Door het schrijven van haar thesis op de academie in Rotterdam, werd zij gedwongen uit te leggen wat zij deed en waarom: ‘Een pijnlijk proces van bewustwording leerde mij hoe in het werk mijn zelfvertrouwen op te bouwen en mijn intuïtie te volgen.’ Al vormend in klei en meer, bleek dat eerder een kwestie van spontaan ordenen te zijn dan van veel nadenken.
Mensen zeggen vaak bang te zijn van haar werk: ‘Zelf zie ik ook heel goed de lugubere kanten ervan. Ik bén bang. Maar het is me opgevallen dat voor wie er een eigen emotie in herkent, zowel de humor als de droefenis door mijn werk heen breken. Dat kost alleen wel wat tijd…’.

Reacties zijn gesloten.